GRUWELBAD

(Hieronder volgt de integrale tekst van de eerste 34 bladzijden van het boek, of ongeveer 25% van het hele verhaal. Deze tekst mag worden uitgeprint om te worden gelezen)

 

EEN

Zwijgend trokken ze door het nachtelijke woud. De fakkels die ze met zich meedroegen, knetterden in de vochtige lucht. Tussen de klamme stammen van de bomen door klonk het geschreeuw van een late vogel. Maar geen van de acht mannen die het eeuwenoude pad volgden, lette erop.

De leider van de groep had een lange baard en droeg een wit gewaad. Hij was de enige die de weg kende en die zich enigszins op zijn gemak voelde. Drie potige kerels torsten een prauw op hun schouders. Het was voor hen geen gemakkelijk karwei om het vaartuig tussen het hoge struikgewas en de knoestige boomstammen door te sleuren. Ze waren vannacht veel liever in hun hutten gebleven, maar de drude had hen uitgekozen. Net als de twee anderen die tot de tanden toe gewapend waren. Zij joegen twee geboeiden voor zich uit. Twee mannen uit een heel andere cultuur. Twee mannen die vanochtend krijgsgevangen waren genomen en die aanvankelijk Jupiter hadden gedankt omdat ze als enigen de hinderlaag hadden overleefd. Tegen de avond was hun stemming totaal omgeslagen. De grimmige gezichten die ze om zich heen zagen, voorspelden weinig goeds.

Opeens werd de bodem drassig. Zowel de zes, die blootsvoets liepen, als de twee gevangenen, die nog sandalen droegen, voelden het onmiddellijk. De bomen en het struikgewas waren verdwenen en hadden plaatsgemaakt voor uitgestrekte rietkragen.

Plotseling stond de stoet stil. De drie dragers en de twee bewakers slaakten een zucht van opluchting. Toch moest het ergste nog komen.

De man in het wit, die tot aan de rand van het moeras was gelopen, keerde zich om en gaf een kort bevel. De prauw werd op de grond gezet en in het water geschoven. De twee gevangenen kregen te horen dat ze in het vaartuig moesten stappen. Toen werden ze samen aan de boeg vastgeketend. En daarna werd het stil.

De drude spreidde zijn armen en begon heel hard te zingen. Geen van de anderen begreep er ook maar ‚‚n woord van. Even plotseling als het begonnen was, kwam er ook een einde aan het lied. De man in het wit knikte en de vijf anderen duwden zo hard ze konden de prauw van de oever weg.

De scherpe boeg kliefde door het vlakke water. Aan de kant keken ze toe hoe het vaartuig zich langzaam aan het licht van de drie fakkels onttrok, tot het volledig verdween in de nevelsluiers die boven het moeras hingen. Niemand sprak een woord. Met bonzend hart bleven ze wachten op wat er zou gebeuren.

Plotseling klonk er een dof gekraak. Dat was de prauw. En dan het hysterische gehuil van twee mensen die de dood voor ogen zagen. Op dat moment keerde iedereen zich vliegensvlug om. Niemand onder hen, ook de drude niet, wilde nog een ogenblik langer op deze onheilspellende plaats blijven...

 

TWEE

Tien eeuwen later...

De twee jonge mannen bleven koortsachtig verder graven. Bij een van hen was de nagel van zijn middenvinger gescheurd, maar het bloed dat eruit liep, hield hem niet tegen. Ze moesten en zouden in hun opzet slagen. Anders wachtte hen morgen de dood. Iedereen wist dat de heer van Vennebroek geen medelijden had met stropers. Bij zonsopgang wachtte hen de galg. Tenzij ze uit dit versterkte hok wisten te ontsnappen. Dat betekende dat ze zonder enig gereedschap een gat moesten graven door de aangestampte aarde heen. Een opening waar een man met zijn lichaam doorheen kon. Het bleek een veel moeilijker karwei te zijn dan ze aanvankelijk hadden gedacht, maar de angst om straks aan een koord te bengelen, gaf hen bijna bovennatuurlijke krachten.

Uiteindelijk, na lang en verbeten zwoegen, bereikten ze de andere kant van de muur. Ze snoven de frisse buitenlucht op. Het deed hen deugd. Nu moesten ze de opening alleen nog groot genoeg maken. En vooral hopen dat geen van de wachters ook maar enig geluid hoorde.

De hoop aarde in het vunzige hok, werd alsmaar groter. Een van de twee kon niet meer wachten. Hij ging op zijn rug liggen en duwde zijn hoofd eerst in de put en toen onder de muur door. Daarna probeerde hij zijn schouders door de opening heen te wurmen. Het lukte. Het gat was breed genoeg. Tenslotte lukte het hem als een slang de rest van zijn lijf door de kleine tunnel te schuiven. Maar goed dat hij al dagen niet meer had gegeten. Anders was hij nooit in zijn opzet geslaagd.

Hij werd door zijn jongere broer gevolgd. Even later waren ze eindelijk vrij. De vlucht naar een veilig oord kon beginnen. Zo vlug ze konden, renden ze door het nachtelijke dorp. Gelukkig was het bijna volle maan zodat ze weinig moeite hadden om hun weg te vinden, ook niet toen ze de schamele hutten van het dorp achter zich hadden gelaten.

Opeens sloeg de oudste van de twee een pad in dat in noordelijke richting ging.

"We gaan daar toch niet heen?" vroeg de jongste, nog steeds met een gedempte stem.

"En waarom niet?" zei de oudste. "Dan zijn we er tenminste zeker van dat ze ons nooit durven te volgen."

"Maar je weet toch dat..."

"Allemaal fabeltjes om de dorpelingen de schrik op het lijf te jagen."

"Maar bijna iedereen is er toch van overtuigd dat..."

"Wel, ik niet. Bovendien is het de enige veilige ontsnappingsroute. Of wil jij vandaag liever voer worden voor de kraaien?"

"Nee, maar ik wil ook niet..."

"Zwijg dan, en wees blij dat je nu vrij rondloopt. Zonder mij zat je nog steeds in dat vieze hok."

De jongste zweeg en volgde zijn broer, die al tussen de bomen was verdwenen. Opeens was het bijna pikdonker. Het dichte bladerdak liet geen maanlicht meer door. Gelukkig had de oudste van de twee daaraan gedacht. Hij nam zijn tondeldoos en stak de fakkel aan die hij had meegenomen toen hij hem bij een van de laatste hutten had zien staan. Meteen konden de twee broers hun vlucht voortzetten.

De knetterende vlam wierp donkere schaduwen op het gebladerte en dwong de jongste van de twee dicht bij zijn broer te blijven. Zo drongen ze steeds dieper het donkere woud binnen. Ze liepen al bijna een uur toen het pad opeens drassig werd.

"Als dat zo verder gaat, mogen we straks nog zwemmen," zei de jongste van de twee.

"Als ik op die manier voorgoed aan de galg kan ontsnappen," zei de oudste, "dan heb ik dat er best voor over. Jij misschien niet?"

"Ik ben bang dat je het straks zult mogen bewijzen," antwoordde de jongste. "Kijk maar goed voor je uit of je moet al zwemmen."

De oudste had net de rand van het moeras bereikt. Hij zei opeens niets meer. Zijn fakkel hield hij zo hoog mogelijk. In het licht dat de vlam verspreidde, probeerde hij zo ver mogelijk over het water te kijken.

De nevelslierten die overal boven het binnenmeer hingen, beperkten het zicht. Hij en zijn broer zaten inderdaad vast. Nergens liep er nog een pad, tenzij...

De jonge man liep een eindje langs het water naar rechts, en toen wist hij het zeker.

Tussen het riet lag iets dat op een vlot leek. Ernaast dreef een lange stok om het vaartuig door de moerassen heen te duwen. De jonge man juichte. Voor de eerste keer sinds ze hen gisteren in dat hok hadden gegooid, durfde hij de volle kracht van zijn stem te gebruiken. Hij rende naar wat inderdaad een vlot bleek te zijn. Hij sprong erop, maar gleed uit en viel heel onzacht op de harde boomstammen. Zijn fakkel viel uit zijn hand en kwam sissend in het water terecht.

"Verdomme," vloekte hij, "nu kan ik hem niet meer aansteken voor hij weer helemaal droog is."

"Je had ook wel wat voorzichtiger kunnen zijn," riep zijn jongere broer, die hem achterna kwam gehold.

"Voorzichtiger, voorzichtiger, je moet eens voelen hoe spekglad dat hele vlot is."

Hij wreef met zijn handen over de boomstammen.

"Kijk," riep hij, "allemaal slijm. Het is nog erger dan bij een paling. Hoe kan dat nu?"

De jongste trok zijn schouders op.

"Als het maar blijft drijven, dat is het belangrijkste," was zijn antwoord.

"Daar heb je gelijk in," zei de oudste, die kreunend rechtkwam en de lange stok vastgreep.

"Duw jij het maar van de kant. Ik zal sturen."

De jongste deed wat hem werd gevraagd. Daarna kroop hij ook op het vlot.

"Jammer van die fakkel," zei hij toen ze de nevelslierten binnenvoeren.

"Gelukkig heb ik nog de maan om me op te ori‰nteren," was het antwoord van de oudste.

"Tenminste, als de mist niet te dik wordt."

Op hetzelfde ogenblik dreven ze een dichte mistbank binnen.

"Je hoeft echt niet bang te zijn, broertje," zei de oudste lachend. "Ik zal mijn weg wel weten te vinden."

De andere zei niets meer. En was het om de jongste gerust te stellen, of was het juist omdat hij zelf bang werd, de oudste begon uit volle borst te zingen. De mist werd steeds dichter. Al vlug kon de oudste geen hand voor ogen meer zien. Zou zijn jongere broer dan toch gelijk krijgen, vroeg hij zich af. Even later schoven de nevelslierten toch weer open en kon hij opnieuw het water met de maan erboven zien.

Hij onderbrak zijn lied. "Zie je hoe gemakkelijk we vooruitkomen?" riep hij enthousiast.

"Als het ochtend wordt, zitten we al heel ver van Vennebroek."

Er kwam echter geen reactie.

"H, broertje," riep hij opnieuw, "ben je misschien in slaap gevallen?"

Lachend keerde hij zich om, maar tot zijn verbijstering moest hij vaststellen dat zijn jongere broer spoorloos verdwenen was.

"Broertje," begon hij opeens te schreeuwen, "broertje, waar zit je in godsnaam?"

De enige reactie die hij kreeg, was dat het water om het vlot opeens begon te kolken.

Meteen kwam er beweging in het vaartuig. Langzaam werd het opgetild. De stok viel in het water en de boomstammen kwamen schuin te liggen.

Vruchteloos probeerde de jongeman zich aan het vlot vast te klampen, tot hij naar beneden gleed en in het kolkende water terechtkwam, waar hij onmiddellijk naar beneden werd gezogen. Daarna werd het weer stil in het moeras.

Het vlot dreef eenzaam en verlaten op het water. Erboven de volle maan als stille getuige van het drama...

 

DRIE

Nog eens tien eeuwen later...

Langzaam dreef de reusachtige massa naar het kleine puntje dat ergens aan de oppervlakte van het water rondspartelde. Niets leek het gevaarte dat daar opsteeg, te kunnen tegenhouden. Het zag eruit als een grote luchtbel van gelatine. Uiteindelijk werd het kleine diertje door die glibberige massa omhelsd en helemaal ingesloten. Het was alsof het diertje binnenin de doorzichtige pudding uit elkaar viel en oploste. Uiteindelijk boog het gevaarte zich weer langzaam en gaf de onverteerbare stukjes terug aan het water.

"En zo zit het voedingsmechanisme van de amoebe in elkaar. Hebben jullie dat allemaal goed kunnen volgen?"

De hele klas knikte toen meneer Clermont, de leraar biologie, opnieuw het woord voerde. Aandachtig hadden de leerlingen van de vierde klas gevolgd hoe hij de microscoop door middel van een tussenstuk had verbonden met de projector. Daarna hadden ze op een reusachtig scherm kunnen zien wat er onder het dekplaatje gebeurde. Alles helemaal live.

Dat vond Matthias, een van de leerlingen, nog altijd heel wat beter dan video. Misschien was het beeld wat minder scherp, maar het was tenminste echt. Nee, de jongen waardeerde meneer Clermont als geen ander. Die spaarde moeite noch tijd om zijn leerlingen met een degelijk spektakel te verrassen. En dat elke keer opnieuw.

Opeens rinkelde de schoolbel. De andere leerlingen juichten. Tijdens deze les waren ze er opnieuw in geslaagd meneer Clermont met al zijn proeven aan de praat te houden. Van echt les krijgen was er weer bijna niets terechtgekomen. In de hele school was er geen enkele andere leraar bij wie dat zo goed lukte. Matthias vond het wel jammer dat zijn klasgenoten de man zo misbruikten. Meneer Clermont was gewoon te goed voor iedereen. Zo goed dat hij bijna niet meer deugde. Hij was dan ook al een paar keer door de directeur op het matje geroepen.

Dat was Matthias te weten gekomen bij de duikclub waar hij vorig jaar in september lid van was geworden. De trainingen werden er gegeven door diezelfde meneer Clermont. Behalve voorzitter van de club was de man ook een uitstekend duikinstructeur. Als lid van de vereniging mocht Matthias zijn leraar bij de voornaam noemen. Gewoon, Fernand. Dat vond de jongen heel sympathiek van hem. De afspraak was dan wel dat het alleen maar mocht in de duikclub. Een afspraak die Matthias heel goed begreep en waar hij zich heel strikt aan hield.

Als laatste van de klas trok hij de deur achter zich dicht. Hij daalde de trap af, stak het speelplein over en liep naar het fietsenhok. Daar haalde hij in ‚‚n enkele zwaai zijn tweewieler uit het bovenste rek en liep ermee naar de schoolpoort. Rijden op de oprijlaan van de school was immers streng verboden. Net toen hij op zijn fiets wilde stappen, werd hij bijna aangereden door een bromfiets. Het was Evelien Dereyghere die, tegen het schoolreglement in, met haar brommer op de oprijlaan reed.

"Sorry, Matthias," riep ze, "maar ik slaag er maar niet in dit ding behoorlijk onder controle te krijgen."

"Geeft niet," antwoordde de jongen, "elke aanleiding om met een leuke meid als jij in contact te komen, kan ik alleen maar toejuichen."

Het meisje proestte het uit. Ze wist maar al te goed dat meer dan de helft van de klas haar bewonderde. En Matthias was blijkbaar geen uitzondering. Ze had het alleen nog niet gemerkt.

"Als het iemand anders was geweest, dan had je waarschijnlijk woorden tekort gehad om hem uit te kafferen."

Het was Fran‡ois Pieters die hem aansprak, de zoon van de burgemeester, een bekakt ventje dat nooit de kans liet liggen om dat te laten blijken. Hij behoorde ook tot de schare die voor de mooie Evelien viel.

"Nee, inderdaad," zei Matthias, "zo iemand als jij zou ik zeker niet hebben gespaard."

"Oh, ja? Wat jammer dat Evelien nog tijdig op haar rem kon duwen. Als ze je in de prak had gereden, zou ik zeker niet hebben getreurd. Integendeel."

Matthias maakte er geen woorden meer aan vuil. Het was woensdagmiddag. Hij had een halve vrije dag in het vooruitzicht. En vanavond was het training in de duikclub. Hij zou zijn middag niet laten verprutsen door een ventje als die Soiten. En met opgeheven hoofd, al was het maar om de ander te tarten, vertrok Matthias.

Hij verliet de school en sloeg de weg in noordelijke richting in. Op acht kilometer van het stadje Vennebroek lag het gehucht waar hij woonde. Hij moest nu nog een heel eind fietsen, dwars door een heideachtig veengebied heen.

Matthias hield van die omgeving. Als kind kwam hij er dikwijls spelen. Hij wist dat er ooit een groot bos stond met daar middenin een uitgestrekt moeras. In de voorbije eeuwen waren alle bomen gerooid. Uiteindelijk werd ook het moeras gedempt. De landweg waar hij nu langs fietste, was duizenden jaren lang een eenzaam pad geweest tussen eeuwenoude bomen. Dat had Matthias allemaal van zijn opa gehoord die het hem jaren geleden in geuren en kleuren had verteld.

Een kleine bestelwagen trok zijn aandacht. Het voertuig stond stil op de heide op een goeie honderd meter van de weg. Twee mannen in roze overalls waren volop bezig een groot bord uit de wagen te halen. Vlakbij waren twee hoge palen geplaatst. Met het bord in hun armen beklommen de twee mannen elk een ladder. Eenmaal boven schroefden ze het bord aan de palen vast.

Matthias stapte van zijn fiets en legde hem voorzichtig neer aan de rand van de weg. Op een drafje liep hij naar de bestelwagen en las de reclametekst op de zijkant:

'Hier komt een tropisch ZWEMPARADIJS en een polaire IJSPISTE! Plons-, zwem- en duikbaden, sauna's, Turkse en bubbelbaden, met elkaar verbonden door zijkanalen en glijbanen. Dat allemaal in een tropisch junglelandschap onder n reusachtige glazen koepel. Er omheen komen meer dan honderd WEEKENDHUISJES voor de recreanten. Bouwmeester en promotor: PIETERS NV. Architect en ingenieur: BUREAU DEREYGHERE.'

Matthias floot door zijn tanden. Hij vroeg zich af wat opa daar van zou zeggen.

 

VIER

"Ze zijn gek! Ze weten niet waar ze aan beginnen! De plannen zijn gedoemd om te mislukken! Meer zelfs, ze zullen heel wat mensenlevens in gevaar brengen!"

Dat waren de eerste woorden die de oude man in de rolstoel, wild zwaaiend met zijn armen, uit wist te brengen.

Matthias schrok van de heftige reactie van zijn opa. Hij had het toch heel voorzichtig gebracht. Hij had gewacht tot na het eten. Aan tafel werd nooit iets verteld dat de oude man kon schokken. Die at dan zo slecht dat hij er meestal brandende maagpijn aan over hield.

Eigenlijk had hij ook nog willen wachten tot opa zijn middagdutje achter de rug had, maar zolang had Matthias het niet kunnen uithouden. Nu was hij kwaad op zichzelf. Nu moest hij ook nog de boze blikken van moeder trotseren. Dat gebeurde altijd als hij er toch in slaagde opa nodeloos - en voor moeder was het nooit nodig - op te winden. Dat is niet goed voor zijn hart, zei ze dan altijd. Je moet mensen op leeftijd tegen zichzelf beschermen! Hij liet opa nu toch maar uitspreken. Anders wond hij zich nog meer op.

"Ja," ging de man verder, "ze hadden geen slechtere plaats kunnen kiezen."

"Dat kan ik me indenken," zei Matthias, "zo'n waardevol natuurgebied."

"Och, daar gaat het niet om," zei de man. "Dat kan mij zelfs gestolen worden. Maar het ergste is dat niemand beseft wat daar in de grond zit."

"Wat bedoel je, opa?" vroeg Matthias verwonderd.

"Ja, jongen," en de oude man trok Matthias bij zijn mouw en fluisterde. "Daar in de grond zit iets heel gevaarlijks dat als het weer water krijgt, tot leven zal komen."

"Waar heb je het over, opa?" vroeg de jongen, die opeens heel geboeid luisterde.

"Wat het precies is, weet ik eigenlijk zelf niet. Maar als ik mag steunen op de verhalen die ik van mijn eigen opa heb gehoord, op wat ik in mijn jonge jaren heb meegemaakt, en op wat er bij de drooglegging van het moeras is gebeurd, dan denk ik dat ik reden genoeg heb om mij ernstig zorgen te maken."

"Opa, zou je me dat allemaal willen vertellen? Ik ben een en al oor."

"Natuurlijk, ik ben blij dat er iemand naar mij wil luisteren. Vooral omdat ik weet dat jij me tenminste serieus zult nemen."

Op dat moment kwam Matthias' moeder voorbij. Ze zag onmiddellijk dat haar schoonvader op het punt stond een lang verhaal te beginnen. Matthias kon het in haar ogen lezen: jongen, alsjeblieft, geloof toch niet alles wat hij jou probeert wijs te maken!

Probeer het zo kort mogelijk te houden. Je schoolwerk is belangrijker. Vooral omdat je vanavond nog gaat sporten.

Matthias dacht er gewoon niet aan om zijn grootvader te onderbreken. Ook al zou het zo zijn dat wat zijn opa vertelde niet helemaal strookte met de werkelijkheid, het bleven boeiende verhalen.

"Ja," ging opa verder, "zoals ik je al vertelde, bestond de hele streek ten noorden van Vennebroek al duizenden jaren uit een reusachtig woud. Niemand durfde erin door te dringen want er middenin lag een uitgestrekt moeras."

"Inderdaad, dat heb je me al verteld, opa."

"Maar wat jij niet weet, jongen, is dat er in dat waterrijke gebied iets heel gevaarlijks leefde."

"Een of ander dier?"

"Ik zou zeggen, een of ander monster dat eeuwig kon blijven leven."

"Maar dat kan toch niet, opa."

"Jongen, er zijn zo veel dingen die niet kunnen en die toch gebeuren. Om dat te begrijpen ben je nog veel te jong."

"En wat gebeurde er dan?" vroeg Matthias, die het verhaal met moeite nog kon volgen, maar dat uit respect voor zijn opa niet wilde laten blijken.

"Wel, iedereen die zich tot aan de rand van het moeras waagde, verdween op geheimzinnige wijze. Geen spoor werd van hen teruggevonden."

"Maar is dat juist niet typisch voor een moeras?"

"Akkoord, maar generaties lang geloofde iedereen, en ik zeg iedereen, erin."

"Maar nu toch niet meer."

"Omdat het moeras weg is, maar ik heb het zelf nog meegemaakt!"

Matthias zette grote ogen op. Opa's verhaal interesseerde hem hevig.

"Ja, toen ik kind was, mochten wij onder geen enkel beding in de venen gaan spelen, en er zeker niet gaan zwemmen. We werden gewaarschuwd dat we door het veenmonster zouden worden opgeslokt. En als kind geloofden we dat verhaal allemaal. Tot we dertien, veertien werden. Een paar jongens van mijn klas - ik zal het nooit vergeten - gingen een weddenschap aan. De twee sterksten, rosse Jules en dikke Leon, twee potige kerels die een kop groter waren dan alle anderen van de klas, werden uitgedaagd om bij volle maan in de grootste veenplas te gaan zwemmen. Het was Richard Moortgat, de zoon van de toenmalige notaris, die hen elk ‚‚n frank had beloofd als ze het aandurfden."

"Een frank maar!"

"Ja, jongen, maar in die tijd moest een werkman een hele dag wroeten om ‚‚n enkele frank te verdienen. Je begrijpt wel dat die twee onmiddellijk akkoord gingen en het waagstuk uit voerden. Toen Richard vroeg wie er van de klas met hun wilde meegaan om de zwemprestatie

bij te wonen, zat de schrik er zo in dat niemand van de anderen het aandurfde."

"Jij ook niet?"

"Nee, ik ook niet. En ik ben blij dat ik niet ben meegeweest."

"Hoe is de weddenschap afgelopen?"

"De twee hebben hun frank nooit gekregen."

"Hebben ze het dan toch niet aangedurfd of wilde dat notariszoontje niet betalen?"

"Zo was het niet, jongen. Ik zie ze nu nog alledrie in de schemer vertrekken langs het pad dat naar het venengebied leidde. Dat pad dat nu een landweg geworden is."

"Wat is er dan gebeurd?"

"Dat zal niemand ooit te weten komen."

"Is geen van hen teruggekeerd?"

"Toch wel. Alleen Richard, maar hij wist niets zinnigs meer te vertellen."

"Hoezo?"

"Hij was helemaal gek geworden. Er is blijkbaar iets vreselijks gebeurd."

"En hoe reageerde de politie?"

"Van een echt onderzoek is toen nauwelijks iets gekomen. De oorlog was net begonnen. Het hele dorp, want toen telde Vennebroek nog geen duizend inwoners, was er natuurlijk van overtuigd dat het veenmonster weer had toegeslagen. Maar officieel werd er besloten dat de twee het slachtoffer werden van een of andere draaikolk."

"En hoe verklaarden ze het gedrag van die Richard?"

"Die zou gek zijn geworden van spijt en wroeging. Hij zit nog altijd opgesloten in een pychiatrische instelling."

"Maar hoe is dat moeras dan uiteindelijk verdwenen?"

"Nog tijdens de oorlog werd door de bezetter beslist om het droog te leggen. De plaats leek hen ideaal voor de aanleg van een vliegveld. Het hele heidegebied werd tot militair domein verklaard. Niemand van de omwonenden mocht er nog komen, anders werd je als spion aangehouden. Het werk zelf werd uitgevoerd door Russische krijgsgevangenen."

"Maar dat vliegveld is er toch nooit gekomen?"

"Inderdaad, want het werk viel tegen."

"Hoezo?"

"Wel, het fijne ervan zullen we nooit te weten komen. Er deden geruchten de ronde dat er tijdens de drooglegging bijzonder veel mysterieuze ongevallen gebeurden. Een speciaal team is toen uit Berlijn gekomen om de situatie te onderzoeken. Maar toen ook een paar mensen uitdat groepje verdwenen, werd uiteindelijk beslist om toch maar geen vliegveld aan te leggen. Natuurlijk zal dat besluit ook be‹nvloed zijn door het feit dat de krijgskansen toen aan het keren waren. Maar ondertussen was het moeras wel al helemaal drooggelegd. En toen de omwonenden het na de oorlog langzaam aandurfden om het hele gebied te betreden, is er nooit meer iets vreemds gebeurd."

"Dat betekent toch dat alle gevaar geweken is? Of dat er misschien nooit enig gevaar geweest is?"

"Nee, Matthias, zo mag je niet praten." Bij deze woorden sloeg opa nijdig met zijn vuist op de rand van zijn fauteuil.

De jongen schrok van die reactie. Zou moeder dan toch gelijk hebben?

"Nee, Matthias," herbegon opa, "het gevaar is er nog steeds. Het sluimert, diep in de grond. Maar zodra het water krijgt, zal het ontwaken en dan zal er met dat zwemparadijs iets vreselijks gebeuren!"

 

VIJF

Een maand later

"... en zoals we in de vorige lessen al hebben gezien, zijn sommige diersoorten bijna onvoorstelbaar goed aangepast om in uiterst moeilijke omstandigheden te overleven. Om dat te illustreren verwijs ik opnieuw naar de amoebe. Dit minuscule diertje, dat voor het allergrootstedeel uit water bestaat, is in staat duizenden jaren te overleven in volledig opgedroogde toestand. Men heeft bijvoorbeeld stof, afkomstig uit Egyptische sarcofagen, in zuiver, gedistilleerd water laten oplossen. Welnu, dat kurkdroge stof, dat de woestijnhitte gedurende vele tientallen eeuwen had getrotseerd, bleek vele duizenden amoeben te bevatten. Zodra die diertjes in het water terechtkwamen, zwollen ze op, begonnen ze opnieuw te leven en gingen ze weer op jacht, alsof er nooit iets was gebeurd. Stel je voor dat de mens ook tot zoiets in zou zijn!"

De hele klas begon te lachen met de opmerking van meneer Clermont.

"Ja," zei Adriaan Vanbas, die altijd de grootste bek van de klas durfde op tezetten, "ik zie al die mummies al opnieuw tot leven komen. We zouden kunnen griezelen zonder naar een film te hoeven kijken."

De klas proestte het uit en meneer Clermont lachte hartelijk mee. Dat was het toffe aan dievent, dacht Matthias. Die man wist een goeie grap altijd op prijs te stellen, van wie die ook kwam.

"En toch," voegde meneer Clermont er op zijn beurt aan toe, "vind ik het maar goed dat dat vermogen om opnieuw tot leven te komen beperkt blijft tot microscopisch kleine dieren. Stel je voor dat het ook van toepassing was op dinosaurussen!"

"Wauw, Jurassic Park," riep Adriaan, die nooit van ophouden wist.

En hiermee was het hek van de dam. De klas was in rep en roer en meneer Clermont zou alle moeite van de wereld hebben om de orde te herstellen. Arme man, dacht Matthias. Als hij een vinger geeft, pakken ze een hand, en als ze zijn hand krijgen, willen ze nog zijn arm. Waarom willen ze altijd van hem profiteren? Matthias ergerde zich mateloos. Maar wat kon hij er aan doen? Sympathiseren was blijkbaar het enige. En zich afvragen of anderen in de klas er hetzelfde over dachten als hij.

Vijf minuten later was de rust weergekeerd. Meneer Clermont probeerde opnieuw les te geven, toen de schoolbel rinkelde.

"Yes!" ging het door de klas. En dan stil: "We zijn er weer in geslaagd hem aan het lijntje te houden."

Onmiddellijk verdwenen boeken en schriften in de tassen. Die werden onder de arm genomen of op de rug geschoven. Zo vlug ze konden, verlieten de leerlingen het klaslokaal. Het was immers woensdag en dat betekende een vrije middag. Iedereen wilde zo vlug mogelijk naar huis.

Ook Matthias duwde even later al zo hard mogelijk op de trappers. Op woensdag bakte moeder altijd frietjes. En met de reuzenhonger die hij nu had, wilde hij het begin van de maaltijd zeker niet missen.

"Hallo," hoorde hij opeens achter zich. Hij draaide zich om en zag hoe Evelien hem met haar bromfiets probeerde in te halen. Matthias probeerde zo ver mogelijk naar rechts uit te wijken. Toen het meisje uiteindelijk naast hem reed, minderde ze snelheid. Het zag ernaar uit dat ze een gesprek met hem wilde aanknopen.

"Vind je ook niet," begon ze, "dat de hele klas de laatste tijd een loopje neemt met Clermont?"

"Wat zeg je?" riep Matthias, die door het lawaai van de brommer enkel flarden had opgevangen.

"Wacht, ik probeer wat dichter naast je te rijden," zei Evelien. "Dan versta je me misschien beter."

Dat had het meisje niet mogen doen. Ze had haar stuur te bruusk naar rechts gedraaid, zodat de fiets van Matthias een flinke tik kreeg. Matthias begon te tollen en verloor zijn evenwicht. Hij probeerde nog naar rechts uit te wijken, maar hij kwam echter met zijn voorwiel tegen de rand van het voetpad. De fiets met Matthias erop kantelde en viel in volle vaart, rinkelend en rollend, op het voetpad. Matthias' boekentas schoot open en zijn schriften vlogen nog een eind verder.

"Als dat geen mooie buiklanding was! Als je van plan bent om er nog zo eentje te demonstreren, hou me dan zeker op de hoogte worden!"

Het was de stem van Fran‡ois Pieters, die een eind achterop reed en alles had zien gebeuren. Matthias, die kreunend overeind probeerde te komen, had nauwelijks gehoord wat Fran‡ois zei, maar bij Evelien werden de woorden onthaald op een vernietigende blik. Als ze het burgemeesterszoontje ermee had kunnen radbraken, dan had ze het niet gelaten. Nu ging al haar aandacht naar de zwaar toegetakelde Matthias.

"Oeioei, wat heb ik nu gedaan?" riep ze. "Het zal me nooit lukken om behoorlijk te rijden met die bromfiets."

Matthias wilde haar eigenlijk duidelijk maken dat ze zich voortaan inderdaad beter met een autoped kon verplaatsen, maar toen hij haar bezorgde blik zag, slikte hij vlug zijn woorden in.

"Och, het is allemaal niet zo erg, hoor," zei hij. "Hier en daar een schrammetje. Het schijnt dat dat gezond is."

"Maar nee, Matthias, je bent er erg aan toe. Je moet dringend worden verzorgd."

"Wat bedoel je?" vroeg hij onthutst.

"Je moet met mij mee."

"Mee! Waarnaartoe? Toch niet naar het ziekenhuis!"

"Nee, zo erg is het ook weer niet. Maar naar jouw huis, is het veel te ver. Bovendien is je fiets kapot. Wat denk je ervan als ik je meeneem naar mijn huis om je daar te verzorgen? Het is tenslotte mijn schuld. Mijn moeder is verpleegster en we beschikken altijd over een goedgevulde EHBO-kast."

Dat voorstel zag Matthias opeens wel zitten. Een betere balsem voor zijn wonden kon hij zich nauwelijks voorstellen.

Hij nam zijn beschadigde fiets van de grond en terwijl Evelien zich ontfermde over zijn schriften en zijn boekentas, maakte hij de fiets vast aan een paal. Hij zag nog wel wat hij er later mee zou doen.

"En hoe komen we bij jou thuis?"

"Oh, dat is niet ver meer. Zeker niet met de bromfiets."

Matthias voelde een steek door zijn wonden. Alleen al de gedachte dat hij afhankelijk zou zijn van haar rijkunst, joeg hem de stuipen op het lijf. Hij had nu eenmaal geen keuze en ging voorzichtig op de duozit zitten.

"En hou me nu maar goed vast," zei Evelien. "Ik trek nogal bruusk op. Het zou jammer zijn als je nog eens op de grond viel."

Inderdaad, dacht Matthias, die opeens de leuke kant ervan inzag. Hij hield haar stevig vast.

"Mooi zo," zei ze. "We zijn weg."

Matthias dacht precies hetzelfde. Om dat meisje zo vast te mogen pakken, mocht ze hem gerust nog eens hardhandig tegen de grond gooien.

 

ZES

Een uurtje later

"En heb je de kantoren van mijn vader al ooit gezien?"

Matthias schudde zijn hoofd.

"Wel, dan moet je eens meekomen. Vooral de maquette en de prachtig ingekleurde plannen en tekeningen zijn de moeite waard om te worden bekeken."

Evelien trok de deur van de keuken open en leidde Matthias weer de gang in. Matthias kon nu al veel beter lopen dan toen hij hier binnenkwam.

Het eerste wat ze hem had voorgesteld, nog voor ze hem verzorgde, was om naar huis te bellen om te zeggen wat er was gebeurd. Pas daarna ging ze hem met een bijna onvoorstelbare toewijding te lijf. Daar zat duidelijk meer achter dan alleen maar het verzorgen van zijn schrammen. Het leek er bijna op dat ze hem met opzet tegen de grond had gegooid. In elk geval was het Matthias niet ontgaan dat Evelien een zucht van opluchting had geslaakt, toen ze bij het thuiskomen zag dat haar moeder een hele dag op haar werk moest zijn.

Zodra ze Matthias netjes ingepakt had, had ze een zak pa‰lla uit de diepvries gehaald en in de magnetron gezet. Dat hij vanmiddag dan toch geen frietjes zou krijgen, had Matthias geen enkel moment dwarsgezeten. Integendeel, Eveliens gezelschap compenseerde wat er op zijn bord lag ruimschoots.

Haar voorstel om hem rond te leiden in de kantoren van haar vader, had hij met bijna even veel enthousiasme onthaald. Het was een extra meevaller. Toen ze aankwamen, had hij onmiddellijk het naambord met 'Bureau Dereyghere' gezien. Nu zou hij ook nog toegang krijgen tot het heiligdom waar de plannen voor het fameuze tropische zwemparadijs waren ontworpen en uitgewerkt. En als hij Evelien mocht geloven, werd het zeker de moeite.

"Kijk," begon het meisje toen ze in de werkruimte van haar vader stonden, "zoals je wel verwacht had, is de werkruimte van een architect van een heel bijzondere stijl. Het is als het ware hun visitekaartje."

Matthias kon haar alleen maar gelijk geven.

"En nergens anders," ging ze verder, "zul je zo'n mooie maquette zien staan."

Ze wees naar een grote, ronde tafel die in het midden van het kantoor stond. Daarboven was een glazen koepel gebouwd met een diameter van bijna twee meter.

"Waw, dat ziet er leuk uit!" riep Matthias toen hij onder het glas de verschillende baden met kanalen tussen het tropische groen zag liggen. "Je zou er al meteen in willen springen."

"Ik begrijp je enthousiasme," zei Evelien, "maar om het echt te doen, zul je nog ongeveer twee maanden moeten wachten."

"Wat zeg je? Bedoel je dat het hele complex binnen twee maanden klaar zal zijn?"

"En of. De burgemeester, die ook de bouwpromotor is, heeft er op aangedrongen dat alles af moet zijn voor het grote openingsfeest. Dat zal plaatsvinden op zaterdagavond 30 april."

"Maar dat is over amper negen weken. Dat is een onmogelijke termijn om alles voor elkaar te krijgen. Iedereen zal zich te pletter moeten werken."

"Dat heeft vader hem ook gezegd, maar hij heeft de burgemeester niet kunnen overtuigen. Pieters wil onder geen beding de lucratieve zomerperiode missen. Al twee maanden geleden zijn ze begonnen met de het verhuren van de vakantiehuisjes."

"Maar die staan er nog niet eens!"

"Ja, en wat erger is: de uitnodigingen voor het openingsfeest werden ook al naar verschillende hoogwaardigheidsbekleders in binnen- en buitenland verstuurd."

"Maar ze kunnen die termijn nooit halen. Zelfs als er tijdens het werk geen problemen opduiken, dan nog blijft het gekkenwerk."

"En toch moet mijn vader ervoor zorgen dat alles er op 30 april staat en draait. Waarom denk je anders dat hij vanmiddag niet thuis was om te eten? Hij is gewoon niet meer weg te slaan van die werf. Elk probleem dat de kop kan opsteken, wil hij ter plaatse oplossen. En daar is hij al een paar keer prachtig in geslaagd. Maar vorige week is er toch een en ander misgelopen."

"Hoezo?"

"Eigenlijk mag ik het je niet vertellen. Maar omdat jij het bent, maak ik een uitzondering."

Evelien giechelde even en Matthias voelde opnieuw dat het bingo was.

"Wel," ging Evelien verder, "bij de laatste en moeilijkste funderingswerken, namelijk die voor het centrale bad dat twintig meter diep moet worden, raakte de kop van de boormachine telkens op onverklaarbare wijze los. Daardoor verloren ze elke keer geweldig veel tijd."

"Zie, daar heb je het al."

"Ja, en om dat probleem te vermijden, heeft mijn vader vanaf vandaag twee betonietduikers in dienst genomen."

"Waw, betonietduikers! Dat is de moeite. Die zou ik wel eens aan het werk willen zien."

"Ik had kunnen denken dat je van dat soort duiken ook op de hoogte was. Wel," en de oogjes van Evelien twinkelden, "ik heb een voorstel, als je mij weet te vertellen wat voor soort duikers dat zijn..."

"Heeft je vader misschien geen tijd gehad om je dat uit te leggen?"

"Inderdaad, hoe raad je het?" zei ze, "als jij het me onderweg vertelt, dan rijden we samen met de bromfiets naar de werf om daar die betonietduikers eens aan het werk te zien. En daarna breng ik je ook nog eens naar huis. Wat vind je daarvan?"

"Een schitterend voorstel! Ik kan gewoon niet meer wachten."

"Ik ook niet," zei ze. "Kom, we zijn weg!"

"... en om te vermijden dat de fundering tijdens het graven inzakt, vult men die tegelijk met betoniet."

Vanaf de duozit van de voortsnellende bromfiets gaf Matthias zijn technische uitleg. Om zich verstaanbaar te maken, probeerde hij zich zo dicht mogelijk tegen Evelien aan te vleien. Ze had er duidelijk geen bezwaar tegen. Integendeel, een paar keer al had ze hem gezegd dat ze zijn uitleg heel interessant vond. Matthias was erdoor gecharmeerd geweest, alhoewel hij zich afvroeg of het niet meer de manier was waarop hij die uitleg gaf.

"Maar wat is betoniet nu eigenlijk?"

Hij drukte haar opnieuw stevig tegen zich aan en ging verder: "Betoniet is een taaie vloeistof die op modder lijkt en genoeg tegendruk geeft zodat de wanden van een fundering die men aan het graven is, niet instorten. Maar zodra het graafwerk voorbij is, wordt het betoniet vervangen door beton."

"Wat is dan de taak van de duikers?"

"Als de kop van de boormachine loskomt, en dat gebeurt maar heel zelden, verliest men bijzonder veel tijd omdat men er niet onmiddellijk bij kan. Een betonietduiker is in staat om onmiddellijk in de smurrie te duiken, zelfs tot tien meter diep, en kan het werkje in een handomdraai opknappen. Zo'n betonietduiker vraagt verschrikkelijk veel geld, zelfs als hij aan de kant moet blijven staan, maar hij kan veel kostbare tijd besparen. Zoals hier."

Evelien minderde vaart en sloeg linksaf. Waar het nog geen maand geleden een en al heide was, draaide nu een bouwwerf op volle toeren.

Het meisje remde, maar hield geen rekening met de slijkerige ondergrond. Het achterwiel schoof weg en even zag het ernaar uit dat ze allebei tegen de grond zouden vliegen.

Gelukkig kon Matthias op tijd van de duozit springen en het meisje stevig vastpakken. De brommer kwam met draaiende wielen ronkend in het gras terecht en Evelien recht in zijn armen.

"Dat was op het nippertje, h?" was zijn reactie.

"Maar jij hebt het dan ook schitterend opgevangen."

"Wie of wat bedoel je daarmee?" vroeg hij met een onschuldig gezicht.

Evelien gierde van het lachen.

"Geloof me of niet, Matthias," zei ze uiteindelijk, "maar ik begin je met het uur interessanter te vinden. Straks ben ik nog bijzonder blij dat ik je vanmiddag heb aangereden."

Dat ben ik al lang, dacht Matthias, maar hij deed zijn best om het niet te laten blijken.

Toen liet hij haar los. Evelien boog zich voorover, pakte haar brommer van de grond en zette hem tegen een van de palen van het bord dat Matthias een maand geleden had zien oprichten.

Het betreden van de bouwwerf verliep bijna even vlot als het wegglijden van de brommer. De controleur aan de ingang had de dochter van zijn grote baas onmiddellijk herkend. Het enige waar hij op aandrong, was dat ze allebei een bezoekershelm droegen. Uiteraard hadden ze daar niet het minste bezwaar tegen, integendeel. Zo zouden ze nog minder opvallen. Evelien was er toch niet helemaal zeker van of haar vader het wel op prijs zou stellen als ze met een of ander schoolvriendje op een moeilijk moment op de werf rondliep.

De koortsachtige bedrijvigheid was Matthias onmiddellijk opgevallen. De werkdruk hier lag duidelijk bijzonder hoog. Een betere voedingsbodem voor een rampzalig ongeval kon hij zich nauwelijks voorstellen. Het hing gewoon in de lucht, klaar om als een rotte vrucht naar beneden te ploffen.

Hij werd door Evelien langs een wirwar van muren geleid. Dat beloofde later een flink labyrint te worden. Eindelijk bereikten ze de centrale bouwput. Matthias kreeg al een goed idee hoe gigantisch het hele complex zou worden, maar nu hij aan de rand van de twintig meter diepe duikput stond, kon hij alleen maar nog eens flink door de tanden blazen. Als het hele project eenmaal klaar zou zijn, met water en al, en grootvader kreeg toch gelijk, dan zouden de gevolgen inderdaad niet te zijn overzien.

"Ben je klaar om af te dalen?" vroeg Evelien. "Ik denk dat we ons even moeten haasten als we het schouwspel niet willen missen."

Ze renden zo vlug ze konden langs de metalen trappen naar beneden. Op de bodem van de put, in het slijk waar sterke pompen het opwellende water voortdurend wegzogen, stond de reusachtige boormachine met de daaraan verbonden betonmolen. Naast de machine stond een groepje mensen. Evelien zag haar vader onmiddellijk. Vlakbij zaten ook de twee duikers klaar. Op een paar kleine onderdelen na, hadden ze hun volledige uitrusting aangetrokken. Ze stonden paraat om bij het kleinste teken in te grijpen.

Toen Matthias en Evelien de laatste trap achter zich hadden gelaten en in de buurt van de duikers kwamen, viel het de jongen op dat die over een heel ingewikkelde uitrusting beschikten. Dat was nogal wat anders dan het speelgoed waarmee hij zijn eerste buitenwaterduiken had gemaakt. Maar ja, als je van plan was diep in de modder te duiken, dan kon alleen het allerbeste goed genoeg zijn.

"Ik heb de indruk dat alles deze keer naar wens verloopt," zei Evelien.

De jongen en het meisje hadden zich opgesteld op een plaats waar ze niet in de kijker liepen.

"Ja," zei Matthias, "je zult het nooit anders zien. Wanneer je op het ergste voorbereid bent, loopt het meestal niet verkeerd."

"Inderdaad, voor vader alleen al hoop ik dat er in de laatste fase van de funderingswerken niets meer tegenvalt. Zijn zenuwen hebben het nu al hard genoeg te verduren gekregen. Maar vertel eens verder, Matthias, is er een groot verschil tussen duiken in betoniet en duiken in een van onze plassen? Die zitten toch ook vol modder en slijk."

"Hola," zei Matthias, "Belgische duikers hebben in het buitenland wel de bijnaam van 'strontduikers', er is nog altijd een groot verschil tussen duiken in een modderige substantie zoals betoniet, en duiken in water met weinig zicht."

"Weinig zicht, hoe weinig is dat dan wel?"

"Dat kan in slechte omstandigheden een halve meter zijn, maar meestal is het een paar meter, en soms veel meer. Maar dat laatste is meer de uitzondering dan de regel."

"En valt er dan iets te beleven?"

"En of! Je bent getuige van een prachtige planten- en dierenwereld die vol leven zit. En dat mag je van heel dicht bekijken en bewonderen."

"Is dat echt waar?"

"Natuurlijk. De mensen denken dat er onder water niets te beleven valt, maar ze vergissen zich."

"Dan zou ik ook graag willen leren duiken. Denk je dat ik het zou kunnen?"

"Natuurlijk," zei Matthias.

Het was er vlugger uit dan hij had gedacht, want vandaag had hij tot zijn schade en schande ondervonden dat Evelien niet de allerhandigste was.

"En zou jij er kunnen voor zorgen dat ik lid word van jouw duikvereniging?"

"Uiteraard," was het antwoord, alhoewel Matthias maar al te goed besefte hoeveelverantwoordelijkheid hij hiermee op zich nam.

"Wauw, dat zou ik schitterend vinden," riep ze. "Dank je."

Ze pakte Matthias vast en gaf hem een klinkende zoen op de wang. De jongen bloosde. Hij vroeg zich af of Evelien wilde leren duiken om de diertjes onder water te bewonderen, of om nog meer in zijn buurt te kunnen zijn. Hij zou het straks wel proberen uit te vissen. Toen gebeurde het.

Met een doffe slag kwam de boormachine tot stilstand.

"Oh nee, het is niet waar," kreunde Evelien. "De boorkop is er weer af."

De woorden van het meisje werden bevestigd door een bel die hevig rinkelde. Het groepje arbeiders en werfleiders dat daarnet nog met spanning het verloop van het werk volgde, stoof direct uit elkaar. Het was alsof er in een brandweerkazerne alarm was geslagen.

Een van de duikers zette vlug zijn helm op, geholpen door zijn collega. Ze waren blijkbaar goed voorbereid zodat ze precies wisten hoe ze te werk moesten gaan. Daarna stapte de eerste duiker zonder aarzelen in de richting van de boormachine. Hij klom een metalen ladder op en liet zich daarna in een grote modderplas neervallen.

Matthias hield de man nauwlettend in de gaten. Hij had er al vanaf het eerste moment op toegezien dat de duiker door een soort levenslijn met de oppervlakte verbonden bleef. Waarschijnlijk een kabel om hem in geval van nood naar boven te hijsen, ongetwijfeld ook een telefoonlijn en misschien ook de aanvoer van lucht of zuurstof onder druk. Alhoewel, de man droeg ook een omgekeerde duikfles op zijn rug.

De man verdween ondertussen langzaam in het betoniet. De steeds verder schuivende levenslijn die door een assistent werd gevierd, was het enige bewijs dat er zich in de diepe kolom van betoniet iets oortbewoog. En alhoewel Matthias dolgraag zijn sport beoefende, zou hij voor geen geld van de wereld met die man hebben willen ruilen.

"Ik hoop dat ze ontdekken waarom het iedere keer misgaat," zei Evelien.

"Hij zal niet kunnen zien wat er misliep," was hee commentaar van Matthias. "Het zal allemaal op de tast moeten gebeuren. Je kunt inderdaad evengoed in de stront gaan duiken."

Het meisje lachte hartelijk om die opmerking, maar beiden waren meteen weer heel ernstig. De duiker moest ondertussen het diepste punt hebben bereikt, want de lijn verdween niet meer verder in het beton. Waar ze stonden hoorde Matthias dat er tussen een van de werfleiders en de duiker beneden via de telefoon koortsachtig werd gepraat. Zouden ze de oorzaak van de moeilijkheden eindelijk hebben gevonden?

Op een bepaald moment keerde de werfleider die de hoorn in zijn hand hield, zich om. Hij seinde de vader van Evelien dat hij moest komen. Het was blijkbaar ernstig. Precies op dat moment gebeurde het. De levenslijn werd opeens zo strak gespannen dat de assistent die hem nog altijd losjes vasthield bijna tegen de boormachine werd geslingerd.

Even trilde de levenslijn als een pianosnaar om daarna als een elastiekje door te breken en met een razende vaart in het beton te verdwijnen.

Alle omstaanders stonden perplex naar elkaar te kijken. Ook Matthias en Evelien.

"Wat is er gebeurd?" vroeg het meisje als eerste.

Nog voor de jongen enig antwoord wist te geven, waren de mannen weer in actie gekomen. De tweede duiker, die stand-by stond, schroefde zijn helm vast. Met een tweede levenslijn achter zich aan rende hij naar de boormachine, klom de ladder op en volgde het voorbeeld van de eerste duiker. Deze keer moest een andere opdracht worden vervuld. Het leven van zijn duikmaat stond op het spel. Dat was zeker ook de mening van alle omstanders. Ongetwijfeld vroegen ze zich af wat er was misgegaan. Matthias moest denken aan wat opa hem had verteld. Hij hoopte dat opa het bij het verkeerde eind had.

Gespannen keek hij toe hoe de levenslijn van de tweede duiker meter voor meter in het betoniet verdween. De paar minuten dat het duurde, leken wel uren. Toen schoof de lijn opeens niet meer verder. Zou hij zijn maat hebben gevonden, vroeg Matthias zich af. Ondertussen had de hele groep zich om het telefoontoestel verzameld. Koortsachtig werd er heen en weer gepraat. Matthias vond het jammer dat hij niet dichterbij kon komen om mee te luisteren. Plotseling klonk er een kreet door de telefoon, zo luid dat de jongen en het meisje het van op tien meter afstand konden horen. En toen gebeurde alles een tweede keer. De levenslijn werd als een snaar uitgerokken, knapte af en verdween. Tegelijk gulpte een grote golf betoniet over de rand van de boorput. Het was alsof een reusachtige hand de kolom met betoniet naar boven had gestuwd. Toen zakte het betoniet opnieuw in en werd alles stil.

Iedereen keek elkaar verdwaasd aan. Alleen Matthias twijfelde niet meer. Hij dacht aan de woorden van opa en vroeg zich af waartoe dit alles zou leiden.

TERUG NAAR 'GRUWELBAD'